Tussenopdracht semiotiek
Opdracht aan de studenten van ‘Interpretatie van Cultuuruitingen’. November 2004. Een stad kan worden opgevat als een verzameling tekens. Niet alleen belettering, naambordjes, graffiti en verkeerssymbolen betekenen, maar ook de aangebrachte ordening van de ruimte: gevels, tuinen, objecten, kleuren geven betekenissen af. De Duitse filosoof Friedrich Hegel spreekt in dat kader van “tweede natuur”. Dit is alles wat de mens in de voorgegeven natuur aanbrengt om uitdrukking te geven aan zijn menszijn. De mens richt de ruimtelijke omgeving in als een spiegel van zichzelf. Al deze tekens kunnen dus gezien worden als een verwijzing naar een functionaliteit (wonen, werken, ontspanning), maar ook naar een zelfbeeld en naar idealen (of het ontbreken daarvan?).
Door te bouwen, af te breken of aanpassingen te maken wordt een stad “geschreven”. Dat betekent ook dat we een stad kunnen “lezen”: haar interpreteren als ware zij een tekst.
Dit is een activiteit die voornamelijk onbewust plaatsvindt. Het is nu de opdracht om die lezing expliciet te maken. Hiervoor maak je gebruik van het theoretisch begrippenapparaat van de semiotiek.

Volgens Ferdinand de Saussure is ieder teken op te vatten als een verschil. Verschil met het afwezige (paradigmatisch) en verschil met het nevengestelde (syntagmatisch). Deze verschillen produceren de betekeniswaarde van het teken.

Bestudeer de opgegeven straatdelen nauwkeurig en hou daarbij de volgende oppositieparen in gedachte:

Binnen – buiten
Straten bevatten een scheidingslijn tussen de binnenwereld, de private ruimte, en de buitenwereld, de openbare ruimte. Hoe worden deze werelden betekend? Is de scheiding scherp of verglijdend? Is er sprake van onderhandeling tussen binnen en buiten? Benoem de “verschil-relatie”. Zijn er sociale codes aan te wijzen in de verschillende straten? Is er mogelijk sprake van een of meerdere genres?

Open – gesloten
De eigen straat is vaak een overgangsgebied tussen het persoonlijke en het algemene. Hij biedt een mate van beschutting en onbeschutheid: tuinhekjes, rolluiken, deurmatten met “welkom” erop, of de afwezigheid daarvan geven uitdrukking aan de mate van thuis zijn in de straat. Hoe beschermt de bewoner zich? En waartegen? Waarvoor stelt hij zich open?

Wij – zij
Woningen zijn de ruimtelijke uitdrukking van het persoonlijke. Ze zijn een extensie van je lichaam: daar waarin je woont, wat van jou is, eigen is. Hoe wordt die eigenheid en on-eigenheid uitgedrukt? Hoe kan individuele identiteit en sociale (groeps-)identiteit herkend worden? Is foregrounding en gemarkeerdheid aan te wijzen? Hoe produceren de tekens een wij en een zij?

Afhankelijk van het gebied dat je opgegeven hebt gekregen zal het ene oppositiepaar toepasselijker zijn dan het andere. Volg je eigen interpretatie. Zie deze paren als een handreiking en niet als een vragenlijst die je in moet vullen. Beschrijf nauwgezet hoe je tekens kan onderscheiden en hoe ze in welke samenhang tot betekeniswaarden leiden. Je verslag dient betogend van aard te zijn.

Het is verstandig om bij je onderzoek een grondhouding van vervreemding aan te nemen. Alsof je als volstrekte vreemdeling aan de hand van de “tweede natuur” probeert te achterhalen wie de mensen zijn. Hoe extrapoleer je uit die betekenisvolle natuur de opvattingen, de herinneringen en de verlangens van de bewoners?
Tip: om de staat van vervreemding te bereiken kan het handig zijn om de commutation test te gebruiken.

Geno Spoormans, 22-11-2004



vorige pagina
overzicht berichten